De oorzaak van allergie

Allergische kwalen zoals hooikoorts en astma zijn in deze eeuw flink toegenomen. Maar wat is de oorzaak? Raakt de lucht te zeer verontreinigd, of leven we juist te schoon?    

Nemen  allergieën toe? Veel mensen denken van wel. De oorzaak is, denken ze, dat we in een sterk vervuilde maatschappij leven, veel smeriger dan vroeger. Hebben ze ook gelijk?
De vlag van allergie dekt tegenwoordig een hele lading: van hooikoorts, astma en overgevoeligheid voor tarwe en aardbeien tot psychische problemen als gevoig van blootstelling aan kleurstoffen en onbekende chemicaliën. Over hooikoorts en astma zijn gegevens beschikbaar, en bovendien zijn dit duidelijk omschreven en te diagnostiseren kwalen, wat van voedselallergie en zaken als chemische overgevoeligheid voorlopig nog met gezegd kan worden.
In 1819 gaf de arts Bostock een klassiek geworden beschrijving van zijn eigen symptomen van hooikoorts. De ziekte kwam blijkbaar niet zo vaak voor, want nadat Bostock in een periode van negen jaar vijfduizend patienten had onderzocht, had hij nog maar zevenentwintig nieuwe gevallen gevonden. De Duitse hoogleraar Phoebus moest zelfis advertenties plaatsen in medische tijdschnften om genoeg casuistiek te verzamelen om een boek te kunnen schrijven. Blackley noemt in 1876 hooikoorts "een zeldzame ziekte", en zegt ook dat ze in geïndustrialiseerde landen schijnt toe te nemen. In een Amerikaans handboek uit 1946 vraagt men zich af hoe bet toch komt dat er in de Verenigde Staten miljoenen hooikoorts en astmapatiënten zijn, terwiji dat er dertig tot veertig jaar daarvoor slechts enkele tienduizenden waren.
Voor allergische astma geldt een vergelijkbaar verhaal. Er werd in een periode van een halve eeuw een vertienvoudiging van het aantal gevallen waargenomen, zo valt te lezen in een artikel van de onderzoeker Zetterström. Wüthrich, een andere deskundige op dit terrein, komt evenwel met een hele lijst argumenten tegen het verhaal dat allergic toeneemt. Waaronder:

1. er zijn geen lange termijn studies van voldoende omvang en duur gedaan;
2. patiënten gaan tegenwoordig eerder naar hun arts;
3. allergieën kunnen nu veel beter worden gediagnostiseerd;
4. met het aantal allergieen is toegenomen, maar het aantal allergenen. Welke westerling kon vijftigjaar geleden allergisch reageren op kiwi's of mango's?
Worm en
Maar ondanks deze kritiek komt Wuthrich na het bestuderen van een kleine hoeveelheid epidemiologisch materiaal toch tot de conclusie dat het aantal allergiepatienten inderdaad fors is toegenomen sinds de ontdekking van deze kwalen.
Tijdens een speurtocht langs allergologische centra in Leiden, Groningen, Amsterdam en Utrecht wordt dit zij bet aarzelend bevestigd: allergie neemt toe.
Hoe kon dat gebeuren? Wat is er
veranderd in de mens, in zijn leefwijze, in zijn omgeving? Er zijn diverse hypotheses geopperd.
Ziekten als hooikoorts en astma (en eczeem) hebben een genetische component. Inmiddels lijkt bet alsof
het gen dat voor deze ziekten verantwoordelijk is, gevonden is en wel op chromosoom 11. Dit gen zou de normale produktie van Immunoglobuline E (IgE) verstoren en zo allergie veroorzaken. Bij bet binnendringen van het allergeen (de stof die de allergische reactie oproept, bijvoorbeeld pollen of afvalprodukten van mijten) wordt dan overmatig IgE geproduceerd en als gevolg daarvan komt bijvoorbeeld een stof als histamine vrij, die dan de uiteindeijke symptomen veroorzaakt.
Het nu ontdekte gen zou de mens ooit met behuip van IgEproduktie hebben beschermd tegen parasitaire wormen. En inderdaad vindt men in de tropen waar deze wormen veel voorkomen soms nog mensen met hoge IgEgehaltes. In onze contreien heeft bet gen geen functie, maar bet is toch aanwezig bij een kwart van de Engelse bevolking.
De ontdekking van dit gen biedt de mogelijkheid op zoek te gaan naar een geneesmiddel dat de werking ervan tegengaat, maar geeft geen ant
woord op de vraag waarom dit gen zich zo plotseling en massaal manifesteert in de vorm van allergieen. De bewering dat een kwart van de Engelsen het IgEgen zou dragen spoort aardig met een ontdekking
die in Amerika werd gedaan tij dens het tweede National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES II). Twintig procent van een representatieve groep van 16.000 mensen bleek positief te reageren op tenminste één allergeen dat voor een huidtest werd toegediend.
Papoeaas
Uit dit grote onderzoek kwam een sterk verband naar voren tussen sociaaleconomische status en allergie en ook rechtstreeks tussen inkomen en allergie. Naarmate men meer verdiende traden ook meer allergieen op.
Er was ook een verband met het opleidingsmveau. In stedelijke gebieden (meer dan 2500 inwoners) kwamen meer allergieen voor dan in landelijke gebieden (hoewel dit alleen voor blanken en met voor zwarten gold). Ook andere onderzoekers hebben het verband tussen welvaart en allergie gevonden. De NHANES-onderzoekers suggereren dat allergie blijkbaar een ziekte is die beInvloed wordt door de levensstijl. In 1985 vond in Papoea Nieuw Guinea een prikkelend onderzoek plaats. Hier ontdekte men dat in een Papoea-gemeenschap in enkele decennia de ziekte astma was komen opzetten en wel in een frequentie en een hevigheid die veel groter was dan in westerse landen wordt waargenomen. De IgE-concentraties waren bier verhoogd en de onderzoekers suggereerden in hun onderzoek dat bet gebruik van katoenen dekens wefficht verantwoordelijk was voor de toename van astma. Die dekens waren meuw in de gemeenschap en bevatten, zoals alle dekens in de wereid ffinke concentraties allergieveroorzakende mijten. De verklaring is echter niet sluitend, want voor de komst van de katoenen deken moeten de Papoeaas toch ook ergens onder geslapen hebben, waar mogelijk ook mijten in zaten. De Papoeaas waren met alleen dekens gaan gebruiken, maar hun hele welvaart was toegenomen en hun hele levensstijl was verwesterd. Waarscbijnlijk kwamen deze Papoeaas vroeger ook wel in aanraking met allergenen, alleen trad er toen geen reactie op.

Er is veel onderzoeksenergie gestoken in bet vinden van een antwoord op de vraag of de blootstelling aan allergenen, zoals pollen en mijten, is toegenomen. Wat de pollen betreft, is dat waarschijnlijk met het geval: de oprukkende verstedelijking heeft juist een vermindering van de blootstelling aan pollen tot gevoig gehad. Wat betreft de blootstelling aan mijten (oorzaak van allergische astma) ligt de zaak ingewikkelder. Mijten leven bij voorkeur in textiel onder warme en vochtige omstandigheden. Voordat er een massale tendens was om huizen te gaan isoleren, constateerden onderzoekers juist een lichte athame van het aantal mijten in woningen. Daarna zou die weer toegenomen zijn. Daarentegen zal onder de gebrekkige hygienische omstandigheden van vroeger de vervuiling van bijvoorbeeld beddegoed met mijten weer veel groter zijn geweest dan vandaag de dag.
Enige tijd geleden heeft een aantal onderzoekingen plaatsgevonden om erachter te komen of het zinvol is om kinderen op te voeden met een zo laag mogelijke allergeenbelasting. Dat kon volgens de Engelse onderzoeker Soothil gebeuren door de kinderen twaalf maanden borstvoeding te geven. Uit deze onderzoekingen is echter geen duideijk resultaat naar voren gekomen. Het heeft in ieder geval geen zin om kinderen te vrijwaren van contact met allergenen. De NHANES onderzoekers voegen daar nog aan toe dat mogelijk door het opgroeien in een milieu met een hoge sociaaleconomische status de blootstelling aan luchtallergenen verminderd is en er geen tolerantie wordt ontwikkeld, zoals dat in een omgeving zou gebeuren met een lagere sociaaleconomische status. Men heeft ontdekt, zo zeggen de onderzoekers, dat blootstelling aan een allergeen op een vroeg tijdstip in het leven de ontwikkeing van tolerantie hiervoor bevordert. De mensen zouden dus te schoon leven!

Slijmvlies

Een van de oorzaken die vaak worden genoemd is luchtverontreiniging door verbrandingsgassen. Dat zou bijvoorbeeld verklaren waarom veel allergieën worden aangetroffen in de grote steden. Volgens Wüthrich kunnen atmosferische vervuilers het slijmvlies van de ademhalingswegen irriteren, waardoor allergenen als pollen en afcheidingsprodukten van mijten gemakkelijker toegang krijgen. Bovendien, zo zegt hij, stimuleren luchtvervuilende stoffen de IgErespons. Dit zou zijn aangetoond bij Guinese biggetjes en muizen.
In het Japanse district Nikko Imaichi kwam onder de 100.000 inwoners hooikoorts voor bij 9,6 procent (hetzelfde percentage als in Zwitserland). Langs de sneiwegen (waar cederbomen waren geplant) bij 13,2 procent (veel luchtverontreiniging en pollen) en in dorpen bij het cederbos (veel pollen, weimg verkeer) 8,8 procent; in de bossen (geen verkeer, veel pollen) 5,1 procent en in de bergen (geen verkeer, geen pollen) 1,7 procent. In steden en dorpen zonder pollen en met veel verkeer was de mcidentie 9,6 procent. Dat suggereert dat de luchtverontreiniging de allergic voor pollen ffink versterkt.
De Amsterdamse hoogleraar R. C. Aalberse wijst echter op het bezwaar dat kleeft aan het associatieve karakter van deze epidemiologische onderzoekingen. Meer waarde hecht hij aan de dierexperimenten, maar die zijn volgens hem tot nog toe met goed gedaan.
Een punt waar nogal gemakkeijk aan voorbij wordt gegaan is de vraag of de luchtverontreiniging werkeijk is toegenomen. In de literatuur gaat men er steeds van uit dat dit bet geval is, maar argumenten worden met aangedragen.
Met luchtverontreiniging wordt in dit verband niet bedoeld het toegenomen koolzuurgasgehalte in de lucht of de lozingen van 'spuitbusgassen', maar de vervuiling met verbrandingsgassen in en om de woning. Er zijn tal van aanwijzingen dat de luchtverontreiniging met deze stoffen (S02, NOx, roet) vroeger veel en veel ernstiger was dan tegenwoordig.
Er wordt nu veel meer gebruik gemaakt van gas, en dat is een schonere brandstof dan hout, olie of kolen. Dc verbranding van deze brandstoffen en de afiroer van de afvalgassen zijn verbeterd. Een gedeelte van de verbranding van fossiele brandstoffen is vervangen door elektriciteit.
Daar kan tegenin worden gebracht dat de mens tegenwoordig auto rijdt en sigaretten rookt, maar een auto staat tenminste nog in de open lucht te roken. En sigaretten tasten wellswaar de longen aan, maar uit een Amerikaans onderzoek is duideijk gebleken dat de rook van een gemiddeld kampvuur ongeveer driehonderdvijftig maal zoveel van het kankerverwekkende benza pyreen bevat als de rook van een sigaret.
Rokers
Dc Wageningse hoogleraar dr. Jan Boley heeft zich beziggehouden met de luchtverontreiniging in de woningen in derdewereidlanden. Hier wordt met houtvuurtjes gekookt en verwarmd en Boley zegt dat hij het in zo'n rokerige ruimte geen twee minuten uithoudt. Ook vindt hij dat een dergelijke luchtverontreiniging veel emstiger is dan de luchtverontreiniging waaraan bijvoorbeeld passieve rokers worden blootgesteld. Uit onderzoek bleek dat in de Noordamerikaanse plaats Albuquerque de houtvuren meer kankerverwekkende verbindingen in de lucht brachten dan het autoverkeer ter plekke. Dc longen van driehonderd jaar geleden gestorven Eskimo's in Alaska bleken roetzwart te zijn, een gevoig van de binnenluchtverontreiniging door het stoken van walvistraan.
Misschien levert luchtverontreiniging een bijdrage aan bet voorkomen van allergieen, de stijgrng van bet aantal allergieen kan er echter met door worden verklaard.
Lange tijd, zo wordt in een publikatie van Zwitserse onderzoekers gesteld, werd de IgErespons op een allergeen beschouwd als 'jets te veel', maar sinds het begin van de j aren zeventig heeft bij sommigen de overtuiging postgevat dat de hoge respons eerder een gevoig is van 'iets te weinig' te weinig onderdrukking van de IgErespons namelijk. Gezonde mensen schijnen een systeem te bezitten waarmee juist de IgEproduktie laag wordt gehouden. Uit het onderzoek van de laatste jaren is gebleken dat de produktie van IgE athankelijk is van twee lymfokines namelijk Interleukine 4 en Interferon gamma. Interleukine kan de synthese van IgE stimuleren en Inerferon gamma kan deze produktie onderdrukken. Een van de stoffen die bij een allergische respons vrijkomen is juist Interleukine 4 en zo ontstaat dus een proces dat zichzeif in werking kan houden. De nieuwe gedachte is dan ook dat de toename van allergie veroorzaakt wordt door een te laag gehalte van het hormoon Interferon gamma. Volgens prof. Aalberse staat als een paal boven water dat Interferon gamma een onderdrukkende werking heeft op de IgEproduktie.
Waarom zou flu bij de mensen de Interferongammaproduktie te laag zijn? Aalberse: "Interferon gamma wordt gestimuleerd door bijvoorbeeld bacteriële infecties en bepaalde virale infecties. Een van de verschillen tussen vroeger en tegenwoordig is dat infecties minder ernstig zijn. Ziektes als tuberculose veroorzaakten vroeger een flinke Interferongammaproduktie. Dankzij antibiotica kom je geen etterende wonden die maanden doorzeuren, meer tegen. Nu zou je kunnen proberen om het Interferongamma te stimuleren, zonder dat iemand daar vreselijke infecties voor hoeft op te lopen."
Inmiddels is men begonnen te proberen om met injecties van Interferon gamma de produktie van IgE te remmen, om te zien of op die manier de hooikoorts kan worden bestreden, maar de eerste pogingen hebben geen resultaat opgeleverd. Wel is al langer bekend dat ascorbinezuur een gunstig effect heeft op het interferongehalte in het lichaam.
Hygiëne
Is allergie inderdaad een neveneffect van onze veelgeroemde hygienische wijze van leven? Vorig jaar verscheen in het British Medical Journal een artikel waarin deze hypothese werd ondersteund. De epidemioloog David P. Strachan verrichtte een analyse van de gegevens over allergie (hooikoorts en eczeem) van 17.414 Britse kinderen die allemaal in dezelfde week in maart 1958 waren geboren. Gekeken werd naar zestien variabelen, zoals: de sociale kiasse van de vader, bezit van eigen huis, borstvoeding, geboorteregio en tabaksgebruik. Uit de ruwe gegevens kwam duidelijk naar voren dat er
een sterk verband bestaat tussen de samenstelling van het gezin en de kans op hooikoorts (en eczeem). Word je als enig kind geboren dan heb je een veel grotere kans op een van de genoemde vormen van allergie dan wanneer je meerdere en oudere broertjes en zusjes hebt. Na statistische bewerking en correctie werd dit verband alleen maar sterker. Ook in een andere studie was dit verband gevonden.
De verklaring voor dit fenomeen zoekt Strachan in de mogehjkheid dat kinderen via onhygienische contacten met oudere kinderen, of via een moeder die via haar oudere kinderen besmet is geraakt, in aanraking is geweest met een infectieziekte. Kinderen raken elkaar intensief aan, besmeuren elkaar gewild of ongewild met neusvuil, speeksel enzovoort en wisselen zo ongemerkt substanties uit die het immuunsysteem op het rechte spoor zouden houden. De in de laatste eeuw afnemende familiegrootte, de verbeteringen in het huishouden en de hogere hygienische standaard hebben de kansen op kruisinfecties binnen families verkleind. Omdat deze ontwikkeling eerder inzette in de meer welgestelde familie konden juist in die kringen allergieen een kans krijgen.

 

 

Add new comment

Plain text

  • Allowed HTML tags: <mailto>
  • No HTML tags allowed.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • Lines and paragraphs break automatically.